ECLI:NL:RBMNE:2021:518
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
WOZ-waarde woning verlaagd wegens onjuiste verwerking VvE-reserve in vergelijkingsobjecten
Eiser is eigenaar van een etagewoning uit 1978 en maakte bezwaar tegen de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van €274.000 voor het belastingjaar 2019. Verweerder handhaafde deze waarde na bezwaar. Eiser stelde beroep in en voerde aan dat de waarde te hoog was vastgesteld, met name omdat de gemeente de verkoopprijzen van vergelijkingsobjecten niet had gecorrigeerd voor het deel dat bestemd was voor de VvE-onderhoudsreserve.
De rechtbank oordeelde dat de bewijslast bij verweerder lag en dat de taxatiematrix van verweerder onvoldoende was omdat daarin geen correctie was toegepast voor de VvE-reserve, wat in strijd is met de rechtspraak van de Hoge Raad en het Gerechtshof Den Haag. Het standpunt van verweerder dat kleine reserves niet gecorrigeerd hoeven te worden, werd verworpen.
Eiser slaagde er niet in de door hem voorgestelde lagere waarde van €250.000 aannemelijk te maken, omdat zijn onderbouwing gebaseerd was op een provinciale trend en niet op de individuele woning. De rechtbank stelde daarom de WOZ-waarde in goede justitie vast op €260.000 en bepaalde dat de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig wordt verlaagd.
Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiser en moest het griffierecht vergoeden. De uitspraak vernietigde de eerdere uitspraak op bezwaar en trad in de plaats daarvan.
Uitkomst: De WOZ-waarde wordt vastgesteld op €260.000 en de aanslag onroerendezaakbelasting wordt verlaagd.