ECLI:NL:RBMNE:2021:5227
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen intrekking WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Eiser, werkzaam als verkoopmedewerker, meldde zich in oktober 2017 ziek en vroeg in juli 2019 een WIA-uitkering aan. De verzekeringsarts stelde aanvankelijk een arbeidsongeschiktheid van 52,64% vast, waarop een uitkering werd toegekend. Na bezwaar van de werkgever herzag het UWV dit naar 16,72%, waardoor de uitkering per 21 oktober 2019 werd beëindigd, met doorbetaling tot oktober 2021.
Eiser voerde aan dat het medisch onderzoek onvolledig was en dat zijn beperkingen, waaronder dwangstoornissen en een verstandelijke beperking, onvoldoende waren meegewogen. Ook stelde hij dat de functies die hij zou kunnen verrichten ongeschikt waren en dat het reformatio in peius-verbod was geschonden.
De rechtbank oordeelde dat het UWV het reformatio in peius-verbod niet heeft geschonden en dat het gebrek in het besluit met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro kon worden gepasseerd. Het medisch onderzoek was zorgvuldig en de beperkingen juist vastgesteld. De arbeidsdeskundige had terecht fulltime functies geduid, en eiser had onvoldoende onderbouwd waarom deze ongeschikt zouden zijn. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar eiser kreeg proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard.