ECLI:NL:RBMNE:2021:5246
Rechtbank Midden-Nederland
- Beschikking
- P.A.M. Penders
- Rechtspraak.nl
Opheffing testamentair bewind wegens verstoorde familieverhoudingen en overgang onder beschermingsbewind
De zaak betreft een verzoek tot opheffing van het testamentair bewind ingesteld over het erfdeel van verzoeker uit de nalatenschap van zijn moeder, die in 2006 overleed. De testamentair bewindvoerder, een familielid, weigerde medewerking en communicatie, wat leidde tot verstoorde familieverhoudingen. Verzoeker betoogde dat het testamentair bewind vanwege deze omstandigheden niet langer in zijn belang is.
De rechtbank overwoog dat opheffing van testamentair bewind op verzoek van de rechthebbende alleen mogelijk is indien vijf jaar na overlijden zijn verstreken en de rechthebbende het vermogen verantwoord kan beheren. Hoewel verzoeker dit niet kon aantonen, achtte de rechtbank opheffing toch gerechtvaardigd omdat het erfdeel dan automatisch onder het beschermingsbewind valt, dat voldoende bescherming biedt.
Het primaire verzoek tot opheffing werd toegewezen. Het subsidiaire verzoek tot ontslag van de testamentair bewindvoerder en benoeming van de beschermingsbewindvoerder als opvolgend bewindvoerder werd niet meer behandeld. Het meer subsidiaire verzoek tot afgifte van stukken werd niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het testamentair bewind wordt opgeheven en het erfdeel valt onder het beschermingsbewind.