ECLI:NL:RBROT:2024:12708

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 december 2024
Publicatiedatum
17 december 2024
Zaaknummer
C/10/679846 / HA RK 24-490
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:178 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot opheffing testamentair bewind wegens ongeschiktheid rechthebbende

In deze zaak heeft de rechtbank Rotterdam op 9 december 2024 uitspraak gedaan over een verzoek tot opheffing van een testamentair bewind. De verzoekers, als bewindvoerders en mentoren van de onder bewind gestelde persoon, vorderden opheffing van het testamentair bewind ingesteld door de overleden erflater. Zij stelden dat het onwenselijk is dat het vermogen door zowel een testamentair bewindvoerder als door hen wordt beheerd.

De rechtbank overwoog dat op grond van artikel 4:178 lid 2 BW Pro het testamentair bewind kan worden opgeheven indien de rechthebbende het vermogen zelf op verantwoorde wijze kan beheren. De verzoekers konden echter niet als de rechthebbende worden beschouwd die dit zelfstandig kan doen, mede vanwege de niet aangeboren hersenafwijking van de onder bewind gestelde.

Verder nam de rechtbank de omstandigheden mee, waaronder het feit dat er voldoende vermogen beschikbaar is voor noodzakelijke uitgaven zonder dat het onder testamentair bewind staande vermogen hoeft te worden aangewend. Ook de verhoudingen tussen de betrokken partijen en het ontbreken van onoverkomelijke bezwaren tegen het voortbestaan van het testamentair bewind speelden een rol.

Gelet op deze overwegingen en het ontbreken van onvoorziene omstandigheden wees de rechtbank het verzoek tot opheffing van het testamentair bewind af. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van het testamentair bewind wordt afgewezen omdat de rechthebbende het vermogen niet zelf verantwoord kan beheren.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rekestnummer: C/10/679846 / HA RK 24-490
Beschikking van 9 december 2024
in de zaak van
[verzoekster]en
[verzoeker], in de hoedanigheid van bewindvoerders en mentoren van
[persoon A],
woonplaats: Sliedrecht ( [verzoekster] ) en Papendrecht ( [verzoeker] ),
verzoekers,
advocaat mr. R. van Gils-Lessy te Tilburg,
tegen
[verweerster],
woonplaats: Papendrecht,
verweerster,
de zelf procedeert.
Verzoekers worden hierna gezamenlijk verzoekers genoemd en worden hierna afzonderlijk respectievelijk ‘ [verzoekster] ’ en ‘ [verzoeker] ’ genoemd. Verweerster wordt hierna ‘ [verweerster] ’ genoemd.

1.Het procesverloop

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het verzoekschrift, ontvangen op 30 mei 2024, met producties;
  • de brief van [verweerster] van 22 oktober 2024, met producties;
  • het gewijzigd verzoekschrift van 22 november 2024.
1.2.
Op 2 december 2024 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. [verzoekster] en [verzoeker] waren daarbij aanwezig, bijgestaan door mr. R. van Gils-Lessy. [verweerster] was aanwezig, vergezeld door [persoon B] , haar aangetrouwde neef.

2.De beoordeling

2.1.
In januari 2017 is de heer [erflater] (hierna: erflater) overleden. Erflater is de vader van [verweerster] en [persoon A] (hierna: [persoon A] ). Erflater heeft in zijn testament het erfdeel van [persoon A] onder een testamentair bewind gesteld, waarbij [verweerster] tot testamentair bewindvoerster is benoemd. Zij heeft deze benoeming aanvaard.
2.2.
Bij beschikkingen van 6 september 2023 heeft de kantonrechter van deze rechtbank de goederen die aan [persoon A] (zullen) toebehoren onder bewind gesteld en een mentorschap over hem uitgesproken. Verzoekers, tevens de echtgenote en zoon van [persoon A] , zijn tot (opvolgend) bewindvoerders en mentoren benoemd.
2.3.
Volgens verzoekers is het voor een doelmatig beheer van het vermogen van [persoon A] onwenselijk als het vermogen enerzijds door een testamentair bewindvoerder en anderzijds door twee bewindvoerders wordt beheerd. Het verzoek strekt er daarom toe om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
  • het testamentair bewind op te heffen;
  • [verweerster] te bevelen om een eindrekening en verantwoording op te stellen over het onder testamentair bewind staande vermogen en aan verzoekers ter hand te stellen;
  • [verweerster] te bevelen om het saldo van het onder testamentair bewind staande vermogen per datum beëindiging testamentair bewind over te maken naar de beheerrekening die verzoekers hebben geopend ten behoeve van het bewind over [persoon A] .
2.4.
Op grond van artikel 4:178 lid 2 BW Pro kan de rechtbank een testamentair bewind opheffen op verzoek van de testamentair bewindvoerder op grond van onvoorziene omstandigheden en voorts indien aannemelijk is dat de rechthebbende de onder bewind staande goederen zelf op verantwoorde wijze zal kunnen besturen. Na verloop van vijf jaren na het overlijden van de erflater kan het bewind op deze laatste grond ook worden opgeheven op verzoek van de rechthebbende.
2.5.
Het onderhavige verzoek is gedaan door de bewindvoerders en mentoren van [persoon A] . Naar het oordeel van de rechtbank kunnen zij niet zonder meer worden begrepen als de rechthebbende die de onder bewind staande goederen ‘zelf’ op verantwoorde wijze zal kunnen besturen. Een bewind of mentorschap kan immers, bijvoorbeeld in een geval van onwerkbaarheid, eindigen om een andere reden dan testamentair bewind. Hierdoor kan de situatie ontstaan dat [persoon A] zelf het onder het testamentair bewind staand vermogen moet gaan beheren, terwijl partijen het er over eens zijn dat [persoon A] dit door zijn niet aangeboren hersenafwijking niet zelf kan doen.
2.6.
De rechtbank neemt in zijn afweging daarom ook de overige omstandigheden van het geval in aanmerking. In dit geval is er voldoende vermogen waarover verzoekers kunnen beschikken voor de noodzakelijke uitgaven ten behoeve van [persoon A] , waaronder de te betalen eigen bijdrage aan het CAK. In zoverre hoeven verzoekers niet te beschikken over het onder testamentair bewind gestelde vermogen. Voorts is van belang dat erflater zijn schoondochter [verzoekster] niet heeft bedacht in zijn testament en zijn kleinzoon [verzoeker] in zijn testament expliciet heeft onterfd. Ter zitting is duidelijk geworden dat verzoekers enerzijds en erflater anderzijds al lange tijd gebrouilleerd zijn en geen of hoegenaamd geen contact hadden. Ook de verhouding tussen verzoekers enerzijds en anderzijds [verweerster] is minder dan optimaal, maar niet is gebleken van onoverkomelijke praktische bezwaren tegen het naast elkaar bestaan van bewind en testamentair bewind. Uiteraard dient [verweerster] als testamentair bewindvoerster elk jaar verzoekers als bewindvoerders op de hoogte te stellen van de omvang van het onder testamentair bewind gestelde vermogen, opdat verzoekers dit mee kunnen nemen in onder andere hun jaarlijkse rekening en verantwoording, maar verder beslist [verweerster] over de aanwending of juist het sparen van het onder testamentair bewind staande vermogen.
2.7.
Onder deze omstandigheden, die afwijken van die in de door verzoekers genoemde uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 oktober 2021 (ECLI:NL:RBMNE:2021:5246), ziet de rechtbank geen grond voor opheffing van het testamentair bewind. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
2.8.
Gelet op de afwijzing van het verzoek, hoeft niet meer te worden ingegaan op wat [verweerster] heeft aangevoerd over de verkrijging van het testament van erflater en het verzoek om rechtsbijstand door [persoon A] .
2.9.
De rechtbank zal de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dat betekent dat partijen geen vergoeding hoeven te betalen voor de kosten die de andere partij voor deze rechtszaak heeft gemaakt.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
wijst het verzoek af;
3.2.
compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. dr. P.G.J. van den Berg en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2024.
3120