ECLI:NL:RBMNE:2021:5306

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 oktober 2021
Publicatiedatum
2 november 2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 4068
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80 WAOArt. 29a WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bestuurlijke boete wegens niet naleven informatieplicht WAO-uitkering

Eiseres ontving sinds 2001 een WAO-uitkering en trad in november 2015 in dienst bij een werkgever. Verweerder stelde vast dat eiseres over de periode van november 2015 tot augustus 2019 te veel uitkering had ontvangen, omdat zij haar inkomsten niet had doorgegeven. Daarom legde verweerder een boete van 50% van het benadelingsbedrag op.

Eiseres voerde aan onvoldoende gelegenheid te hebben gehad om bezwaar te maken en dat zij haar nieuwe functie met hulp van het UWV had gevonden, waarbij haar was verteld dat zij een maximaal aantal uren mocht werken. De rechtbank oordeelde dat eiseres voldoende tijd had gekregen om bezwaar in te dienen en dat zij haar informatieplicht had geschonden omdat zij haar verdiensten niet had gemeld.

De rechtbank wees het beroep af en bevestigde de opgelegde boete van €3.335,04. Er waren geen dringende redenen om van de boete af te zien en eiseres had de boete inmiddels betaald. Het beroep werd ongegrond verklaard en er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de boete van €3.335,04 wegens het niet doorgeven van inkomsten en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/4068

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 oktober 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: H. van Haaften).

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een boete van € 3.335,04 opgelegd.
Bij besluit van 2 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden via Skype op 18 juni 2021. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar zoon. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres ontving vanaf 26 oktober 2001 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO-uitkering). Eiseres is op 16 november 2015 in dienst getreden bij [bedrijf 1] en aansluitend met ingang van 1 juni 2019 bij [bedrijf 2] . Op 6 september 2019 heeft verweerder de uitkering van eiseres gecontroleerd. Vanaf 1 september 2019 is de uitkering van eiseres op voorschotbasis op nihil gezet in verband met de hoogte van haar verdiensten. Op 31 oktober 2019 had verweerder het voornemen om aan eiseres een boete op te leggen. Vervolgens heeft verweerder de besluiten genomen zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.
Grondslag van het bestreden besluit
2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres zich niet aan de informatieplicht heeft gehouden. Hierdoor heeft zij over de periode van 15 november 2015 tot en met 31 augustus 2019 te veel WAO-uitkering ontvangen. De boete bedraagt 50% van het benadelingsbedrag van € 6.670,07.
Het oordeel van de rechtbank
Het indienen van bezwaar
3. Eiseres voert aan dat verweerder haar geen kans heeft gegeven om een compleet bezwaar in te dienen. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat zij onvoldoende gelegenheid heeft gehad om gronden aan te voeren. Eiseres ontving slordige brieven van verweerder en had meer tijd nodig om de gronden van bezwaar in te dienen.
4. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. In het primaire besluit van 12 december 2019 heeft verweerder bepaald dat eiseres tot 24 januari 2020 de tijd gehad om bezwaar in te dienen. Deze termijn van vier weken in de bezwaarfase is gebruikelijk. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat eiseres daarna twee extra weken de tijd heeft gekregen om haar bezwaargronden in te dienen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor de conclusie dat eiseres niet voldoende in de gelegenheid is gesteld om een volledig bezwaar in te dienen. De beroepsgrond slaagt niet.
De boete
5. Ter zitting heeft eiseres aangevoerd dat zij haar nieuwe functie waar zij op 16 november 2015 is begonnen, heeft gevonden met hulp van het Uwv. Eiseres heeft dit aan het Uwv doorgegeven en het Uwv heeft tegen eiseres gezegd dat zij een maximaal aantal uren mag werken om haar WAO-uitkering te behouden. Eiseres is het daarom niet eens met de aan haar opgelegde boete. Eiseres heeft ter zitting verklaard dat de boete reeds betaald is.
6. Op grond van artikel 80, eerste lid, van de WAO, is degene die aanspraak maakt op of in het genot is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, verplicht aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk is, dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag, dat daarvan wordt uitbetaald.
7. De rechtbank stelt vast dat uit het besluit van 12 december 2019 blijkt dat eiseres over de periode tussen 1 november 2015 tot en met 31 augustus 2019 een bedrag van € 6.670,07 te veel aan uitkering heeft ontvangen. Op de betaalspecificaties uit 2014 en 2018 staat dat wijzigingen binnen één week aan verweerder doorgegeven moeten worden. Op de specificatie arbeidsongeschiktheidsuitkering van 17 juli 2015 staat ook dat wijzigingen binnen één week doorgegeven moeten worden. Eiseres heeft op 15 oktober 2015 een wijzigingsformulier ingediend over haar adres en bankrekeningnummer. Verder stelt de rechtbank vast dat uit het dossier niet blijkt dat eiseres contact heeft gehad met het Werkbedrijf of andere afdelingen van het Uwv over haar verdiensten. Uit de informatie van het klantcontactcentrum van het Uwv blijkt dat er op 3 november 2015 gebeld is met de partner van eiseres over de vraag of verweerder stukken over de wijziging van eiseres’ bankrekeningnummer had ontvangen. Het eerstvolgende telefoongesprek vond pas plaats in 2019. Eiseres heeft verder geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij haar verdiensten heeft doorgegeven.
8. De rechtbank is van oordeel dat het eiseres redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat haar inkomsten uit arbeid van invloed kunnen zijn op de hoogte van haar WAO-uitkering. Uit het dossier blijkt echter niet dat eiseres haar verdiensten heeft doorgegeven aan verweerder. Het voorgaande betekent dat eiseres haar inlichtingenplicht heeft geschonden. Uit artikel 29a WAO in samenhang met artikel 80 WAO Pro is verweerder verplicht in dat geval een boete op te leggen. Eiseres heeft geen omstandigheden gesteld waaruit afgeleid moet worden dat er dringende redenen zijn om van het opleggen van een bestuurlijke boete af te zien.
9. Verweerder heeft toegelicht dat er in het geval van eiseres geen sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Dat eiseres nu pas een beslissing krijgt over een periode van ongeveer vijf jaar geleden, is volgens verweerder ook geen reden om de boete te verlagen. De rechtbank kan dit volgen. Verweerder is namelijk pas in 2019 te weten gekomen dat eiseres inkomsten uit arbeid had. De rechtbank ziet verder geen andere reden of omstandigheid waardoor verweerder verminderde verwijtbaarheid had moeten aannemen. Dat de boete de draagkracht van eiseres te boven ging is ook niet gebleken, ter zitting heeft eiseres immers bevestigd dat zij de boete inmiddels heeft betaald. Dat betekent dat in het geval van eiseres een boete van
€ 3.335,04 passend en geboden is.
Conclusie
10. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht aan eiseres een boete van € 3.335,04 opgelegd.
11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Belhadi, griffier. De beslissing is uitgesproken op 22 oktober 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.