De werknemer trad op 9 januari 2020 in dienst bij de werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot 8 september 2020. Op 19 mei 2020 stuurde de werknemer een e-mail waarin hij mededeelde afscheid te willen nemen vanwege zijn gezondheid, maar zonder expliciet het woord 'ziek' te gebruiken. De werkgever interpreteerde dit als ontslag en bevestigde de beëindiging per 17 juni 2020 met wederzijds goedvinden.
De werknemer voerde aan dat hij zich op 19 mei 2020 ziek had gemeld en dat hij niet de intentie had gehad de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Hij stelde dat de werkgever een onderzoeksplicht had om na te gaan of sprake was van een ziekmelding. De werkgever betwistte dit en stelde dat de werknemer tijdig op de hoogte was van de beëindiging en dat het verzoek tot vernietiging van de opzegging te laat was ingediend.
De kantonrechter oordeelde dat de e-mail van de werknemer een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring was gericht op beëindiging van het dienstverband en dat er geen sprake was van een ziekmelding. De werknemer had de brief tot uitdiensttreding geretourneerd en zich gedragen alsof hij uit dienst trad. Ook was er geen emotionele opwelling of onduidelijkheid die een onderzoeksplicht van de werkgever zou rechtvaardigen.
De kantonrechter verklaarde het verzoek tot vernietiging van de opzegging niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de wettelijke termijn. Wel werd een voortzetting van de mondelinge behandeling gelast om te beoordelen of de werknemer zich binnen vier weken na het einde van het dienstverband ziek had gemeld, zodat de werkgever als eigen risicodrager Ziektewet verplichtingen zou kunnen hebben.