Eiser, voormalig productiemedewerker, diende een WIA-uitkering aan na langdurige ziekte en beëindiging van zijn dienstverband. Het UWV wees de aanvraag af omdat uit het arbeidsdeskundig onderzoek bleek dat eiser slechts voor 33,62% arbeidsongeschikt was, onder de vereiste 35%.
Eiser maakte bezwaar en beroep, waarbij een herbeoordeling plaatsvond. Een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige bevestigden de eerdere conclusie, ondanks aanvullende beperkingen die werden vastgesteld. Eiser betwistte de medische beoordeling, met name het ontbreken van een fysiek onderzoek en onvoldoende erkenning van nier-, hart- en geheugenproblemen, alsmede coronaklachten.
De rechtbank oordeelde dat telefonische anamnese en dossieronderzoek voldoende waren en dat de medische rapporten begrijpelijk en consistent waren. Eiser leverde geen nieuwe medische informatie die een andere beoordeling rechtvaardigde. Ook het verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige werd afgewezen.
De arbeidskundige beoordeling werd als juist beoordeeld, waarbij de geselecteerde functies passend waren en de mate van arbeidsongeschiktheid correct werd vastgesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard en de afwijzing van de WIA-uitkering en terugvordering van het voorschot gehandhaafd.