ECLI:NL:RBMNE:2021:546

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 februari 2021
Publicatiedatum
15 februari 2021
Zaaknummer
20/4148
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-betaling griffierecht

Verzoeker heeft bij besluit van 7 september 2020 het recht op bijstand ingetrokken gekregen door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal. Tegen dit besluit maakte verzoeker bezwaar en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter overwoog dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) griffierecht betaald moet worden bij een verzoek om voorlopige voorziening. De griffier had verzoeker per aangetekende brief opgeroepen het griffierecht binnen twee weken te voldoen, maar deze brief werd onbestelbaar retour ontvangen. Uit onderzoek bleek dat de brief was verzonden naar het juiste adres volgens de Basisregistratie Personen.

Verzoeker heeft het griffierecht niet betaald en heeft geen reden gegeven voor dit verzuim, waardoor geen verontschuldiging kon worden aangenomen. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht zonder verontschuldiging.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/4148

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 januari 2021 in de zaak tussen

[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 september 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht op bijstand van verzoeker ingetrokken met ingang van 11 augustus 2020.
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verder heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen om op een zitting te verschijnen indien de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.
2. Iemand die een verzoek om een voorlopige voorziening indient, moet op grond van artikel 8:82, eerste lid, van de Awb griffierecht betalen. In een zaak als deze is het griffierecht op grond van artikel 8:82, tweede lid, van de Awb in samenhang met artikel 8:41, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb € 48,-. De griffier van de rechtbank stelt op grond van artikel 8:82, derde lid, van de Awb in samenhang met artikel 8:41, vijfde lid, van de Awb een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:82, derde lid, van de Awb in samenhang met artikel 8:41, zesde lid, van de Awb het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
3. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 25 november 2020 verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief.
4. Deze brief is op 15 december 2020 onbestelbaar retour ontvangen door de rechtbank met de mededeling dat de brief niet is afgehaald.
5. De rechtbank heeft vervolgens door middel van een onderzoek in de basisregistratie personen (BRP) vastgesteld dat de nota is verzonden naar het adres van verzoeker zoals dat staat geregistreerd in de BRP en zoals hij dat heeft opgegeven in zijn verzoekschrift.
6. Verzoeker heeft het griffierecht niet betaald. Verzoeker heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim.
7. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening
niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. ten Klooster, griffier
.De beslissing is gedaan op 27 januari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.