ECLI:NL:RBMNE:2021:5471
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en proceskostenveroordeling na beroep
De rechtbank Midden-Nederland behandelde het beroep van eiser tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die verweerder op € 1.042.000,- had vastgesteld voor het belastingjaar 2019. Eiser stelde een lagere waarde van € 951.000,- voor en voerde onder meer aan dat hij niet was voorzien van de taxatiematrix in de bezwaarfase.
Hoewel verweerder de taxatiematrix niet aan eiser had verstrekt tijdens bezwaar, heeft de rechtbank dit gebrek gepasseerd op grond van artikel 6:22 Awb Pro, omdat verweerder in beroep andere referentieobjecten gebruikte en wel een taxatiematrix overlegde. De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, mede door vergelijkingsobjecten die qua type, bouwjaar en transactiedata passend waren.
Eiser stelde dat zijn woning op een smal perceel ligt en dat de prijs per kubieke meter van de serre onduidelijk was. De rechtbank vond de correctie van 33% voor de minder doelmatige perceelsvorm voldoende en accepteerde de uitleg over de hogere m³ prijs van de serre als een architectonisch onderdeel van de woning.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, veroordeelde verweerder in de proceskosten van eiser tot € 1.068,- en droeg verweerder op het griffierecht van € 48,- te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld in proceskosten en griffierecht.