ECLI:NL:RBMNE:2021:5494

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 oktober 2021
Publicatiedatum
10 november 2021
Zaaknummer
UTR 21/2674
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 AwbArt. 8:86 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om herziening voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid

Verzoeker heeft bij uitspraak van 5 augustus 2021 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend, dat door de voorzieningenrechter is afgewezen. Vervolgens heeft verzoeker bij brief van 11 augustus 2021 verzocht om herziening van deze uitspraak.

Op 28 september 2021 vond een zitting plaats via skype, waarbij beide partijen vertegenwoordigd waren. Verzoeker vroeg tevens om vrijstelling van griffierecht, welke werd toegekend omdat hij voldeed aan de voorwaarden.

De voorzieningenrechter overweegt dat een uitspraak van een voorzieningenrechter over een voorlopige voorziening in principe niet vatbaar is voor herziening, tenzij het een einduitspraak betreft. In dit geval is geen sprake van een einduitspraak, omdat het beroep van verzoeker niet is behandeld in de uitspraak van 5 augustus 2021.

Daarom verklaart de voorzieningenrechter het verzoek om herziening niet-ontvankelijk. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na verzending van het proces-verbaal.

Uitkomst: Het verzoek om herziening van de uitspraak inzake voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/2674

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 oktober 2021 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: I. Plas),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort, verweerder
(gemachtigde: E. Perçin).

Procesverloop

Bij uitspraak van 5 augustus 2021 heeft de voorzieningenrechter uitspraak gedaan in de zaak tussen verzoeker en verweerder met het procedurenummer UTR 21/2674. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Bij brief van 11 augustus 2021 heeft verzoeker verzocht om herziening van deze uitspraak.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2021, via een skypeverbinding. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verzoeker verzoekt om vrijstelling van de verplichting tot het betalen van het verschuldigde griffierecht. Verzoeker heeft voldoende aangetoond dat hij voldoet aan de voorwaarden voor deze vrijstelling. De voorzieningenrechter verleent verzoeker daarom vrijstelling van de betaling van het griffierecht.
2. In artikel 8:119, eerste lid, van de Awb [1] staat dat de bestuursrechter een onherroepelijk geworden uitspraak kan herzien op grond van de in dat lid genoemde feiten of omstandigheden.
3. Een verzoek tot herziening kan worden gedaan met betrekking tot een onherroepelijk geworden einduitspraak van de bestuursrechter in de hoofdzaak. Een uitspraak van de voorzieningenrechter inzake een voorlopige voorziening is niet vatbaar voor herziening, tenzij het een einduitspraak in de zin van artikel 8:86 van Pro de Awb betreft. [2] Van zo’n einduitspraak is in het onderhavig geval geen sprake. De voorzieningenrechter heeft namelijk in de uitspraak van 5 augustus 2021 geen uitspraak gedaan op het door verzoeker ingestelde beroep.
4. Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek om herziening van de uitspraak van 5 augustus 2021 niet-ontvankelijk te verklaren.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om herziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Kersten, griffier. De beslissing is uitgesproken op 11 oktober 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Zie de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 18 juni 1998, ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7689 en 29 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2431.