Uitspraak
19.2461 PW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- verklaart zich onbevoegd voor zover het verzoek betrekking heeft op de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening;
- wijst het verzoek om herziening voor het overige af.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Verzoeker heeft een verzoek tot herziening ingediend van een uitspraak van de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep van 10 januari 2019, waarin het hoger beroep van verzoeker tegen de opschorting en intrekking van zijn bijstand op grond van de Participatiewet was afgewezen.
Verzoeker stelde dat de Raad ten onrechte had aangenomen dat hij beschikte over papieren bankafschriften van zijn moeder, terwijl een bericht van de bank uit 2018 zou aantonen dat hij nooit over dergelijke afschriften beschikte. Het college betoogde dat dit bericht geen nieuw feit was, omdat het al bekend was voor de uitspraak en dat het niet relevant was voor de beoordeling van het recht op bijstand.
De Raad oordeelde dat het verzoek om herziening niet aan de vereisten van artikel 8:119 Awb Pro voldeed, omdat het bericht niet nieuw was en dat de Raad bovendien niet bevoegd is om te oordelen over herziening van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening. Het verzoek werd daarom afgewezen zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt afgewezen en de Raad verklaart zich onbevoegd ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening.