Eiser diende op 1 oktober 2020 een verzoek in bij het college van burgemeester en wethouders van Utrecht om handhavend op te treden wegens een onveilige fundering onder een keldermuur. Het college wees dit verzoek op 10 februari 2021 af. Eiser maakte bezwaar, maar het college nam niet tijdig een beslissing op het bezwaar. Eiser stelde het college op 8 juni 2021 in gebreke en startte vervolgens een beroepsprocedure wegens het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank oordeelde dat het college de beslistermijn wettelijk had mogen verdagen met zes weken, waardoor de termijn eindigde op 6 mei 2021. De ingebrekestelling van 8 juni 2021 was dus niet prematuur. Het college had daarna niet binnen twee weken beslist, waardoor het beroep ontvankelijk was.
De rechtbank stelde vast dat het college een dwangsom verschuldigd is van €1.442,- wegens de overschrijding tot aan de uitspraak en legde een dwangsom van €100,- per dag op voor verdere overschrijding, met een maximum van €15.000,-. Tevens werd het college opgedragen binnen twee weken alsnog een besluit te nemen, het griffierecht aan eiser te vergoeden en de proceskosten van €748,- te vergoeden.