Verzoeker heeft bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht een aanvraag ingediend voor bijstand op grond van de Participatiewet, welke op 30 juni 2021 is afgewezen. Tegen dit primaire besluit is bezwaar gemaakt en vervolgens is op 18 oktober 2021 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter heeft partijen niet uitgenodigd voor een zitting omdat dit niet noodzakelijk werd geacht. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, Awb wordt een voorlopige voorziening slechts getroffen indien onverwijlde spoed bestaat. Bij financiële geschillen is dit alleen het geval als er sprake is van een onomkeerbare situatie of acute financiële nood.
Verzoeker stelde dat hij al vijf en een halve maand zonder financiële middelen zat en overhandigde bankafschriften ter onderbouwing. De voorzieningenrechter vond deze stukken onvoldoende om te concluderen dat onverwijlde spoed bestond. Ook was niet duidelijk of alle relevante bankafschriften waren overgelegd. Daarnaast bleek uit de stukken dat verzoeker op 10 september 2021 een voorschot van €700,- had ontvangen en per 1 oktober 2021 nog €245,01 op zijn rekening had, wat voldoende is om in de eerste levensbehoeften te voorzien.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het bestreden besluit niet evident onrechtmatig was, zodat ook op die grond geen voorlopige voorziening kon worden getroffen. Er was geen sprake van een situatie die onmiddellijke financiële hulp vereiste, en verzoeker kon de bezwaarprocedure afwachten. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Tenslotte werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en werd vermeld dat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel openstaat.