ECLI:NL:RBMNE:2021:5634

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
5 november 2021
Publicatiedatum
19 november 2021
Zaaknummer
UTR 21/4142
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bijstand Participatiewet wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoeker heeft bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht een aanvraag ingediend voor bijstand op grond van de Participatiewet, welke op 30 juni 2021 is afgewezen. Tegen dit primaire besluit is bezwaar gemaakt en vervolgens is op 18 oktober 2021 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

De voorzieningenrechter heeft partijen niet uitgenodigd voor een zitting omdat dit niet noodzakelijk werd geacht. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, Awb wordt een voorlopige voorziening slechts getroffen indien onverwijlde spoed bestaat. Bij financiële geschillen is dit alleen het geval als er sprake is van een onomkeerbare situatie of acute financiële nood.

Verzoeker stelde dat hij al vijf en een halve maand zonder financiële middelen zat en overhandigde bankafschriften ter onderbouwing. De voorzieningenrechter vond deze stukken onvoldoende om te concluderen dat onverwijlde spoed bestond. Ook was niet duidelijk of alle relevante bankafschriften waren overgelegd. Daarnaast bleek uit de stukken dat verzoeker op 10 september 2021 een voorschot van €700,- had ontvangen en per 1 oktober 2021 nog €245,01 op zijn rekening had, wat voldoende is om in de eerste levensbehoeften te voorzien.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het bestreden besluit niet evident onrechtmatig was, zodat ook op die grond geen voorlopige voorziening kon worden getroffen. Er was geen sprake van een situatie die onmiddellijke financiële hulp vereiste, en verzoeker kon de bezwaarprocedure afwachten. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Tenslotte werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en werd vermeld dat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel openstaat.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van onverwijlde spoed en evident onrechtmatigheid.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/4142

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 november 2021 in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker

(gemachtigde: mr. J.A.J. Brahm),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) van 30 april 2021 afgewezen.
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter op 18 oktober 2021 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de voorzieningenrechter uit waarom.
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij daarom geen voorlopige voorziening treft.
3. Verzoeker stelt in dit verband dat hij al vijf en een halve maand geen financiële middelen heeft om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn spoedeisend belang op 26 oktober 2021 bankafschriften over de periode van 14 juni 2021 tot en met 30 september 2021 ingediend. Het betreffen bankafschriften van een Rabo Direct Rekening (eindigend op [nummer 1] ) op naam van verzoeker.
4. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoeker heeft aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van omstandigheden die maken dat vanwege onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Het is de voorzieningenrechter onduidelijk of verzoeker met de bankafschriften een volledig beeld van zijn financiële situatie heeft gegeven. Uit de bankafschriften blijkt namelijk dat verzoeker op 14 juni 2021 een bedrag van € 742,92 afkomstig van een bankrekening (eindigend op [nummer 2] ) op naam van [verzoeker] heeft ontvangen. Voor zover deze bankrekening van verzoeker is, ontbreken bankafschriften van deze bankrekening (eindigend op [nummer 2] ).
Uit de bankafschriften blijkt verder dat verzoeker op 10 september 2021 van verweerders gemeente een voorschot ter hoogte van € 700,- heeft ontvangen. Het saldo op zijn bankrekening (eindigend op [nummer 1] ) bedraagt op 1 oktober 2021 € 245,01. Hieruit blijkt dat verzoeker niet verstoken is van middelen om in zijn eerste levensbehoeften te voorzien.
Op de bankafschriften zijn ten slotte geen afschrijvingen van vaste lasten of woonkosten te zien, behalve afschrijvingen ten behoeve van een zorgverzekering. Niet gesteld of gebleken is dat verzoeker schulden heeft of uit zijn huis dreigt te worden gezet.
Dat verzoeker de bezwaarprocedure niet kan afwachten en onmiddellijk (financiële) hulp nodig heeft, ziet de voorzieningenrechter dan niet. Er is op dit moment daarom geen sprake van een situatie die een onmiddellijke voorziening vereist. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is.
5. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het primaire besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van de nu overgelegde stukken niet evident is dat het bestreden besluit geen stand zal kunnen houden.
6. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang en dat het bestreden besluit ook niet evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoeker te laten uitvallen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van H.J.J.M. Kock, griffier
.De beslissing is uitgesproken op 5 november 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.