Opposante heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van 7 juli 2020, waarin haar beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het niet (tijdig) betalen van het griffierecht. De rechtbank beoordeelt in dit verzet uitsluitend of de eerdere beslissing om zonder zitting te beslissen terecht was, omdat er geen twijfel over de uitkomst bestond.
Opposante voerde aan dat het griffierecht wel was betaald, maar door een invoerfout deels niet correct, en stelde betalingsonmacht en onjuiste adressering van de griffierechtnota aan de orde. Tevens verwees zij naar jurisprudentie waarin soortgelijke verzetten gegrond werden verklaard. De rechtbank oordeelt echter dat de griffierechtnota en herinnering correct waren geadresseerd aan de gemachtigde van opposante, dat de gemachtigde verantwoordelijk is voor betaling en informatieverstrekking, en dat het beroep op betalingsonmacht te laat is ingebracht.
Verder is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn voor de procedure, mede gelet op de coronamaatregelen die de behandelingstermijn hebben verlengd. De rechtbank concludeert dat het verzet ongegrond is en bevestigt de eerdere niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.