Opposante heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van 7 juli 2020, waarin haar beroepschrift niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het niet (tijdig) betalen van het griffierecht. Zij stelde dat het griffierecht wel was betaald, maar dat er sprake was van een invoerfout en betalingsonmacht. Tevens voerde zij aan dat de griffierechtnota onjuist was geadresseerd en dat de wettelijke splitsingsbrief ontbrak.
De rechtbank oordeelde dat de griffierechtnota en betalingsherinnering correct waren gericht aan de gemachtigde van opposante, die als indiener van het beroepschrift geldt. De gemachtigde had de betalingsherinnering ontvangen en was verantwoordelijk voor de betaling. Het beroep op betalingsonmacht werd verworpen omdat dit pas in de verzetsprocedure werd aangevoerd en niet binnen de betalingstermijn.
Verder werd overwogen dat de coronamaatregelen de redelijke termijn voor de procedure verlengden, maar dat de totale duur van 22 maanden geen overschrijding van de redelijke termijn opleverde. Het verzoek tot immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding werd daarom afgewezen.
De rechtbank verklaarde het verzet ongegrond en handhaafde de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens niet-betaling van het griffierecht.