De rechtbank Midden-Nederland heeft op 24 november 2021 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen veroordeelde. Uit het onderzoek bleek dat veroordeelde grote contante bedragen bezat en aanzienlijke uitgaven deed zonder legitiem inkomen. De rechtbank achtte aannemelijk dat deze gelden uit andere strafbare feiten afkomstig waren.
Op grond van artikel 36e lid 3 Sr werd het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €221.614,26. De rechtbank hoefde niet te specificeren welke strafbare feiten dit voordeel hadden opgeleverd, maar baseerde zich op een kasopstelling die het verschil tussen contante inkomsten en uitgaven over de periode 1 juli 2014 tot 16 juli 2018 weergeeft.
De betalingsverplichting werd verminderd met €122.537,11 vanwege de inbeslagname en vernietiging van verdovende middelen, en met €5.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierdoor werd veroordeelde verplicht €94.077,15 aan de Staat te betalen. Tevens werd de maximale gijzelingstermijn vastgesteld op 1080 dagen.
De verdediging had betoogd dat het niet buiten redelijke twijfel vaststond dat het geld van misdrijf afkomstig was, maar dit werd door de rechtbank verworpen. De rechtbank volgde de jurisprudentie omtrent redelijke termijn en ontnemingsmaatregelen nauwgezet.