Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 februari 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
‘Geachte mevrouw/meneer ik stuur vonnis van Rechtbank in Almere zoals in werkplan staat. M.v.g. [eiser] ’.In dit vonnis wordt onder meer de loonvordering van eiser toegewezen. Ook moet [winkel] € 1.219,68 aanzegboete betalen van één bruto maandloon op grond van 32 uur/week. Zoals verweerder heeft toegelicht is hij ervan uitgegaan dat eiser dit vonnis had overgelegd in het kader van de dagloonberekening van zijn WW-uitkering die hij sinds december 2016 ontving. Eiser en verweerder verschilden toen namelijk van mening over het aantal gewerkte uren per week. Aangezien eiser op geen enkele manier duidelijk heeft gemaakt dat met het opsturen van het vonnis iets anders werd bedoeld, laat staan dat hij daarmee een nieuwe aanvraag heeft willen doen die geheel los staat van de bestaande uitkeringsrelatie, is de rechtbank van oordeel – nog afgezien van de vraag of bij de aanvraag een voorgeschreven formulier moet worden gebruikt – dat verweerder het overleggen van het kort gedingvonnis heeft mogen opvatten als een ‘aanvulling’ op de aanvraag van de WW-uitkering. Dat betekent dat eiser met het enkel overleggen van het kort gedingvonnis in januari 2017 geen aanvraag ‘overname betalingsverplichtingen’ heeft ingediend. Dat het wellicht zorgvuldiger was geweest als verweerder eiser had geïnformeerd in welk kader hij het overleggen van het kort gedingvonnis heeft opgevat, maakt niet dat alsnog sprake is van een aanvraag. Dat eiser de Nederlandse taal niet goed machtig is, is naar het oordeel van de rechtbank geen omstandigheid die voor rekening en risico van verweerder komt. De vraag of uit het kort gedingvonnis blijkt of op dat moment al sprake was van betalingsonmacht bij [winkel] behoeft – gelet op het vorenstaande – geen bespreking door de rechtbank.