Eiser en zijn echtgenote ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet. Na melding dat eiser werkte bij een autosloperij, verrichtte de gemeente onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand. Hierbij werden kasstortingen en bijschrijvingen op hun bankrekeningen aangetroffen die niet waren gemeld. De gemeente trok het recht op bijstand in en vorderde de kosten terug.
Eiser stelde dat de kasstortingen en bijschrijvingen door hun kinderen, met name hun zoon, waren gedaan en dat zij daar niet over konden beschikken. De rechtbank oordeelde dat de stortingen als inkomsten moeten worden aangemerkt omdat zij een terugkerend karakter hadden en konden worden gebruikt voor de noodzakelijke kosten. Door het niet melden hiervan is de inlichtingenverplichting geschonden.
De rechtbank stelde echter vast dat het onduidelijk blijven van de herkomst van de stortingen niet betekent dat de financiële situatie onduidelijk is. De gemeente beschikte over voldoende gegevens om het recht op bijstand vast te stellen. Het bestreden besluit bevatte een motiveringsgebrek omdat de gemeente niet per maand had beoordeeld of recht op bijstand bestond. De rechtbank gaf de gemeente zes weken de tijd om dit te herstellen en hield verdere beslissingen aan.