ECLI:NL:RBMNE:2021:6216

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 december 2021
Publicatiedatum
23 december 2021
Zaaknummer
UTR 21/235 en UTR 21/236
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.R. van Es- de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 lid 2 GemwArt. 10 RVV1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen naheffingsaanslagen parkeerbelasting wegens parkeren deels op trottoir

Eiser kreeg twee naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd omdat hij zijn voertuig op 1 en 4 februari 2020 parkeerde aan de Kanaalstraat in Utrecht zonder de verschuldigde belasting te voldoen. Eiser betwistte de bevoegdheid van verweerder om de aanslagen op te leggen, stellende dat er geen sprake was van parkeren in de zin van artikel 225 lid 2 van Pro de Gemeentewet, maar van een overtreding van artikel 10 RVV1990 omdat zijn auto deels op het trottoir stond.

De rechtbank oordeelde dat het feit dat een klein deel van de auto op het trottoir stond niet uitsluit dat er sprake was van parkeren binnen het parkeervak. De auto stond voor 80 tot 90% in het parkeervak en blokkeerde het vak, waardoor niemand anders het kon gebruiken. Dit maakt dat de belastbare feiten zich hebben voorgedaan en verweerder bevoegd was om de naheffingsaanslagen op te leggen.

Daarnaast vond de rechtbank dat eiser onvoldoende had onderbouwd dat het legaliteitsbeginsel was geschonden. Het was voor eiser kenbaar dat hij een parkeerplaats bezette waarvoor parkeerbelasting verschuldigd was. De rechtbank volgde de conclusie van de Advocaat-Generaal IJzerman en wees het beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslagen parkeerbelasting.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 21/235 en 21/236

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2021 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. B. de Jong),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, verweerder
(gemachtigde: R. Janmaat).

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser op 4 februari 2020 om 12:48 uur een naheffingsaanslag parkeerbelasting (naheffingsaanslag 1) opgelegd ten bedrage van € 68,77 . In de uitspraak op bezwaar van 14 december 2020 (uitspraak op bezwaar 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer UTR 21/235.
Verweerder heeft aan eiser op 1 februari 2020 om 14:48 uur een naheffingsaanslag parkeerbelasting (naheffingsaanslag 2) opgelegd ten bedrage van € 68,77. In de uitspraak op bezwaar van 14 december 2020 (uitspraak op bezwaar 2) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer UTR 21/236.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De beroepen zijn op de zitting van 14 oktober 2021 via Skype behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Bij brief van 25 april 2021 heeft eiser verzocht om uitstel van zitting in deze zaken, omdat bij de Hoge Raad een vrijwel identieke zaak van eiser loopt en eind oktober verwacht wordt dat de procureur-generaal een conclusie zal nemen over deze rechtsvraag. De rechtbank ziet hierin geen reden om de zaak uit te stellen, mede omdat het niet duidelijk is wanneer de Hoge Raad uitspraak zal doen in deze kwestie.

Overwegingen

1. Aan eiser zijn de naheffingsaanslagen 1 en 2 opgelegd, omdat hij volgens verweerder zijn voertuig met kenteken [kenteken] heeft geparkeerd zonder de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen.
2. Op zowel 1 als 4 februari 2020 heeft eiser zijn auto met kenteken [kenteken] geparkeerd aan de Kanaalstraat in Utrecht. Er geldt daar betaald parkeren. Tussen partijen is niet in geschil dat er geen parkeerbelasting was voldaan. Daarom zijn aan eiser de naheffingsaanslagen opgelegd.
3. Eiser voert allereerst aan dat verweerder niet bevoegd was om een naheffing parkeerbelasting op te leggen, omdat er geen sprake was van parkeren in de zin van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet. Volgens eiser is er sprake van overtreding van artikel 10 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV1990), omdat zijn auto niet op de openbare weg, maar deels op het trottoir stond.
Tevens stelt eiser dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het legaliteitsbeginsel. Het was volgens eiser niet duidelijk of er parkeerbelasting moest worden betaald. Indien en voor zover verweerder zich er op beroept dat het voertuig niet voldoende op het trottoir stond om te zeggen dat in casu geen parkeerbelasting is verschuldigd, dan is dat in strijd met het legaliteitsbeginsel.
4. Volgens verweerder zijn de naheffingsaanslagen terecht opgelegd, omdat eiser geen parkeerbelasting heeft voldaan en er wel degelijk sprake was van parkeren. Eiser stond namelijk geparkeerd op een gefiscaliseerde parkeerplek. Dat eisers auto met een klein gedeelte op de stoep stond, maakt niet dat er geen sprake is geweest van parkeren. Eisers auto stond beiden keren voor ongeveer 80 tot 90 % in het parkeervak, op zodanige wijze dat niemand anders van dat vak gebruik kon maken. Omdat de betreffende parkeervakken zijn aangewezen als betaald parkeren is geen sprake van een wettelijk verbod.
Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat er geen strijd is met het legaliteitsbeginsel en dat er volgens de verordening [1] is gehandeld.
5. De rechtbank geeft eiser geen gelijk en legt dat hierna uit. Op basis van de foto’s in de dossiers staat vast dat eisers auto op zowel 1 als 4 februari 2020 deels, met het rechter voor- en achterwiel op het trottoir stond. Dat maakt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat verweerder niet bevoegd was om de naheffingsaanslagen op te leggen. Immers, tussen partijen is niet in geschil dat eiser op de beide dagen met zijn auto het parkeervak bezet hield. Hij heeft zijn auto derhalve gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan in dat parkeervak. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn betoog dat er geen sprake zou zijn van parkeren. Daarmee hebben de belastbare feiten zich voorgedaan en was verweerder bevoegd om voor beide momenten een naheffingsaanslag op te leggen. Dat er daarnaast wellicht ook sprake was van een overtreding van het RVV1190, maakt dit niet anders. De rechtbank vindt hiervoor ook steun in de conclusie van A-G IJzerman van 28 oktober 2021 [2] . De beroepsgrond slaagt niet.
5.1.
Verder vindt de rechtbank dat eiser zijn stelling, dat sprake is van strijd met het legaliteitsbeginsel, niet heeft onderbouwd. Volgens de rechtbank was voor eiser kenbaar dat hij met zijn auto een parkeerplaats bezet hield, waarvoor parkeerbelasting verschuldigd was. Daarom is er geen strijd met het legaliteitsbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de naheffingsaanslagen 1 en 2 terecht opgelegd. De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es- de Vries, rechter, in aanwezigheid van I. Zallali, griffier. De beslissing is uitgesproken op 17 december 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De rechter is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag waarop de uitspraak is verzonden hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Deze uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat.

Voetnoten

1.Verordening op de heffing en invordering van Parkeerbelastingen 2020 gemeente Utrecht.