ECLI:NL:PHR:2021:1013
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt naheffingsaanslag parkeerbelasting ondanks deels verboden parkeren
Belanghebbende parkeerde zijn auto op 2 februari 2019 in een parkeervak in Hilversum zonder voldoende parkeerbelasting te betalen. De auto stond deels buiten het parkeervak, met de voorwielen iets voorbij de eerste haaientand, en binnen vijf meter van een kruising, wat volgens het RVV 1990 verboden is. Desondanks legde de gemeente een naheffingsaanslag parkeerbelasting op.
De Rechtbank en het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelden dat het grootste deel van de auto binnen het parkeervak stond en dat parkeren binnen een aangewezen parkeervak het heffen van parkeerbelasting rechtvaardigt, ook als een deel van het voertuig in strijd met een wettelijk verbod is geparkeerd. Tevens werd geoordeeld dat overschrijding van de maximale parkeerduur van een uur niet uitsluit dat parkeerbelasting kan worden geheven.
Belanghebbende stelde in cassatie dat parkeren in strijd met een wettelijk verbod niet als parkeren in de zin van artikel 225, tweede lid, Gemeentewet kan worden aangemerkt, zodat geen parkeerbelasting geheven mag worden. De Advocaat-Generaal concludeerde dat de fiscale heffing en strafrechtelijke handhaving gescheiden regimes zijn en dat alleen bij volledig verboden parkeren geen parkeerbelasting kan worden geheven. De Hoge Raad volgde dit oordeel en verklaarde het cassatieberoep ongegrond.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslag parkeerbelasting.