Verzoekster, een organisatie die jeugdhulp biedt, kreeg van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd een aanwijzing opgelegd om binnen vier maanden maatregelen te treffen vanwege tekortkomingen in huisvesting, toepassing van vrijheidsbeperkende maatregelen en deskundigheidsbevordering. De Inspectie baseerde dit op onaangekondigde bezoeken en meldingen van incidenten.
Verzoekster betwistte de noodzaak van de aanwijzing en voerde aan dat zij concrete verbeteracties had ingezet, zoals sluiting en verhuizing van een locatie, scholing van medewerkers en aanstelling van een interim-manager. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat verzoekster onvoldoende de juistheid van het Inspectierapport had weerlegd en dat de geconstateerde problemen nog niet waren opgelost.
De rechter stelde vast dat vrijheidsbeperkende maatregelen vaker dan incidenteel werden toegepast, dat de fysieke leefomgeving onveilig was en dat deskundigheidsbevordering onvoldoende was. Ook werd vastgesteld dat verzoekster de Inspectie onvolledig had geïnformeerd door meldingen weg te laten. De openbaarmaking van de aanwijzing en rapportbrief werd als rechtmatig beoordeeld en het belang van transparantie woog zwaarder dan het belang van verzoekster.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De uitspraak heeft een voorlopig karakter en bindt niet in een bodemprocedure.