De rechtbank Midden-Nederland heeft op 18 november 2021 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak betreffende het verzet tegen een eerdere uitspraak van 12 juli 2021. In die eerdere uitspraak was het beroep niet tijdig beslissen op het verzoek tot intrekking van een omgevingsvergunning niet-ontvankelijk verklaard omdat de rechtbank meende dat de beslistermijn nog niet was verstreken en de ingebrekestelling prematuur was.
Opposant voerde aan dat het Nevele-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie directe werking heeft en dat de nationale beslistermijnen daarom niet langer van toepassing zijn. De rechtbank oordeelde echter dat het Nevele-arrest niet voorschrijft dat nationale termijnen buiten werking worden gesteld en dat een inhoudelijke beoordeling van de vergunning niet past binnen een procedure over niet tijdig beslissen.
De rechtbank stelde vast dat de beslistermijn van zes maanden, zoals bepaald in de Wabo en Awb, nog niet was verstreken op het moment van de ingebrekestelling op 19 mei 2021. Daarom was de ingebrekestelling prematuur en het beroep niet-ontvankelijk. De rechtbank vernietigde de eerdere uitspraak en verklaarde het verzet gegrond, waarna het onderzoek werd hervat in de stand van voor de eerdere uitspraak.
De rechtbank droeg de gemeente Houten op om zo spoedig mogelijk een besluit te nemen en wees het college op de verplichting zich te voegen naar het Unierecht en de consequenties van het Nevele-arrest mee te wegen. De uitspraak werd gedaan door rechter E.M. van der Linde in aanwezigheid van griffier M.H.L. Debets.