Opposante heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 11 mei 2021, waarin het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het niet (tijdig) betalen van het griffierecht. De rechtbank had toen zonder zitting beslist omdat zij geen twijfel had over de uitkomst van de zaak.
In het verzet betoogt opposante dat het griffierecht wel betaald is, maar dat er fouten zijn gemaakt in de adressering van de griffierechtnota, en dat de nota ten onrechte op naam van de gemachtigde in privé was gesteld. Tevens werd aangevoerd dat slechts éénmaal griffierecht verschuldigd zou zijn bij ambtshalve splitsing en dat sprake was van overschrijding van de redelijke termijn, waarvoor immateriële schadevergoeding wordt gevorderd.
De rechtbank stelt vast dat de griffierechtnota en herinnering correct zijn verzonden aan de gemachtigde van opposante, die gemachtigd was om namens haar op te treden. De nota bevat voldoende informatie over de zaak en het is de verantwoordelijkheid van de gemachtigde om het griffierecht te betalen. Er is geen sprake van een administratieve splitsing die een splitsingsbrief vereist. De rechtbank oordeelt dat het griffierecht terecht is geheven en dat er geen overschrijding van de redelijke termijn is, mede gelet op de coronamaatregelen en de verlenging van de termijn met vier maanden.
Het verzet wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van 11 mei 2021 blijft in stand. Tegen deze uitspraak kan beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad.