Opposante heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van 29 april 2021, waarin het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het niet (tijdig) betalen van het griffierecht. De rechtbank heeft onderzocht of de eerdere beslissing om zonder zitting te beslissen terecht was en of er omstandigheden waren die het niet betalen rechtvaardigden.
Opposante voerde aan dat het griffierecht wel betaald was, maar dat fouten in de griffierechtnota en adressering dit bemoeilijkten. Ook stelde zij dat bij ambtshalve splitsing slechts éénmaal griffierecht verschuldigd zou zijn en dat de griffierechtnota onjuist op naam van haar gemachtigde in privé was gesteld. De rechtbank oordeelde dat de griffierechtnota en herinnering correct waren gericht aan de gemachtigde namens opposante en dat het niet betalen voor rekening van de gemachtigde komt.
Daarnaast werd het verzoek tot immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen, omdat de termijn van 22 maanden niet als overschrijding wordt beschouwd, mede door verlenging vanwege de coronapandemie. Het verzet is daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.