ECLI:NL:RBMNE:2021:6378

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 december 2021
Publicatiedatum
4 januari 2022
Zaaknummer
20/3160-V
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6 AwbArt. 8:54 AwbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens ontbreken machtiging ongegrond verklaard

Opposante heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat de overgelegde machtiging niet toereikend was; deze betrof een machtiging van een andere cliënt dan opposante.

Opposante ging tegen deze niet-ontvankelijkverklaring in verzet. De rechtbank heeft in de verzetsprocedure beoordeeld of het eerdere oordeel terecht was dat er geen twijfel over de uitkomst bestond en dat daarom geen zitting nodig was. De rechtbank concludeerde dat het verzet ongegrond is omdat geen geldige machtiging was overgelegd en opposante geen andere gronden aanvoerde die het eerdere oordeel zouden kunnen ondermijnen.

Daarnaast verzocht opposante om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank oordeelde dat deze termijn niet was overschreden, mede omdat de periode tussen het indienen van het beroep en de uitspraak in de verzetsprocedure minder dan anderhalf jaar bedroeg. Het verzoek tot vergoeding werd daarom afgewezen.

De uitspraak van 10 mei 2021, waarin het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard, blijft daarmee in stand. Het verzet wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en het beroep blijft niet-ontvankelijk wegens ontbreken van een geldige machtiging.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/3160-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2021 op het verzet van

mr. [A], veronderstellenderwijs handelend namens

[opposante],te [Woonplaats], opposante.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposante heeft ingediend tegen het besluit van de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (verweerder) van 12 augustus 2020.
In de uitspraak van 10 mei 2021 (de uitspraak) heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan. De zitting heeft plaatsgevonden via een Skypeverbinding op 29 oktober 2021. Opposante is zelf niet verschenen, maar haar gemachtigde wel.
Verweerder is niet verschenen met bericht van verhindering.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de overgelegde machtiging geen machtiging van opposante, maar een machtiging van een andere cliënt van mr. [A] - betreft. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposante gelijk heeft met haar beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak niet juist was.
3. Volgens opposante is de uitspraak van de rechtbank van 10 mei 2021 niet juist omdat
de wettelijk voorgeschreven splitsingsbrief ontbreekt. Ook maakt opposante wegens mogelijke overschrijding van de redelijke termijn aanspraak op immateriële schadevergoeding.
4. Bij het beroepschrift is geen toereikende machtiging meegestuurd. In artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat dat een beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als het beroep niet voldoet aan de wettelijke vereisten. Voordat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard moet de indiener van het beroep wel in de gelegenheid zijn gesteld om het verzuim te herstellen. De rechtbank heeft [A] bij brief van
16 september 2020 in de gelegenheid gesteld om uiterlijk binnen vier weken een machtiging in te dienen waaruit blijkt dat hij gemachtigd is om namens [opposante] beroep in te stellen en in beroep op te treden. Bij brief van 29 september 2020 heeft [A] hierop gereageerd en een volmacht naar de rechtbank gestuurd. De volmacht bevat geen naam namens wie [A] gemachtigd is om beroep in te stellen en in beroep op te treden. Bij brief van 11 februari 2021 is [A] nogmaals in de gelegenheid gesteld om een machtiging in te dienen. Bij brief van 10 maart 2021 heeft [A] een machtiging naar de rechtbank gestuurd, maar dit betreft geen machtiging om namens [opposante] op te treden. Aan het laatste verzoek van 24 maart 2021 om een machtiging te verstrekken heeft [A] niet voldaan.
5. Voor het overige heeft opposant(e) in verzet niets aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de rechtbank de beroepsprocedure ten onrechte vereenvoudigd heeft afgedaan. Het verzet is ongegrond. Dit betekent dat de uitspraak waartegen verzet is gedaan in stand blijft.
Overschrijding redelijke termijn
6. Opposant(e) heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016 [1] en in zijn latere uitspraken.
7. Het is niet uitgesloten dat in een procedure over een niet-ontvankelijk beroep een vergoeding kan worden toegekend voor geleden immateriële schade. Op grond van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) moeten belastinggeschillen immers binnen een redelijke termijn worden berecht. Er geldt dan wel als voorwaarde dat sprake is van een situatie waarin het geschil inhoudelijk aan de rechter is voorgelegd. Aan die voorwaarde is niet voldaan als het griffierecht niet wordt betaald. De rechtbank verwijst hiervoor naar een arrest van de Hoge Raad van 2 december 2016 [2] . Uit dat arrest volgt dat er in beginsel geen uitspraak hoeft te worden gedaan over een verzoek tot toekenning van immateriële schadevergoeding wegens een overschrijding van de redelijke termijn, als het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard wegens het niet-betalen van griffierecht.
8. Dat is slechts anders als de rechtbank uitspraak doet op het verzet nadat sinds het instellen van het beroep meer dan anderhalf jaar is verstreken. De rechtbank heeft het beroepschrift van opposante ontvangen op 26 augustus 2020. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank in de verzetsprocedure is niet meer dan anderhalf jaar, zodat er ook in verzet geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van M. Bos, griffier. De beslissing is uitgesproken op 10 december 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.