Verzoeker diende bezwaar in tegen een besluit van verweerder en stelde vervolgens beroep in na een besluit op bezwaar. Verweerder nam later een nieuw besluit waarin hij verzoekers bezwaren gegrond verklaarde en het eerdere besluit herrolde. Verzoeker trok daarop het beroep in en vroeg vergoeding van proceskosten en immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank stelde vast dat de totale behandelingstermijn van bezwaar- en beroepsfase ruim twee jaar bedroeg, waarmee de redelijke termijn van twee jaar werd overschreden. De overschrijding werd toegerekend aan zowel de bezwaar- als de beroepsfase, waarbij een vergoeding van € 500 per half jaar werd gehanteerd.
De rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van de proceskosten van € 748,- die in de beroepsfase zijn gemaakt. Daarnaast werd een immateriële schadevergoeding van in totaal € 1.000,- toegekend, waarvan € 333,- voor de bezwaarfase en € 667,- voor de beroepsfase. Ook werd verweerder verplicht het griffierecht te vergoeden. De uitspraak werd gedaan zonder zitting, omdat voldoende informatie aanwezig was om het verzoek te beoordelen.