Eiseres betwistte de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van een schoolgebouw dat in 2019 niet langer als zorgobject werd gebruikt. De heffingsambtenaar stelde aanvankelijk een waarde van €1.211.000,- vast, welke na bezwaar werd verlaagd naar €1.065.000,-. In beroep werd een verdere verlaging naar €862.000,- bepleit, terwijl eiseres een waarde van €547.000,- voorstond.
De rechtbank oordeelde dat de waarde moest worden bepaald op basis van de gecorrigeerde vervangingswaarde, conform de gezamenlijke opvatting van partijen. De heffingsambtenaar moest aannemelijk maken dat de lagere waarde niet te hoog was. Ter onderbouwing werd een taxatierapport van juni 2020 overgelegd, waarin de restwaarden waren gebaseerd op de Taxatiewijzer Onderwijs en marktgegevens van vergelijkbare transacties.
Eiseres betoogde dat de restwaarden te hoog waren en pleitte voor een restwaarde van 5%, omdat het gebouw aan het einde van de levensduur bijna geen waarde zou hebben. De rechtbank vond de onderbouwing van de heffingsambtenaar overtuigend, ook al betrof één transactie een buurthuis in een andere plaats. De rechtbank stelde de waarde vast op €862.000,- en veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
De uitspraak vernietigt de eerdere uitspraak op bezwaar en treedt in de plaats daarvan. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen zes weken na verzending.