Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.[eiser sub 1] ,
[eiseres sub 2],
1.De procedure
- de dagvaarding (met producties);
- de mondelinge behandeling van 19 november 2021;
- de pleitnota van [eiser sub 1] c.s.;
- de pleitnota van [gedaagde] .
Rechtbank Midden-Nederland
In deze zaak gaat het om een executiegeschil tussen partijen over de ontruiming van een woning die door eiser sub 1 c.s. is gekocht maar nog niet geleverd. Partijen sloten in 2006 een koopovereenkomst met latere verlengingen en een vaststellingsovereenkomst in 2020 waarin het gebruik van de woning werd geregeld en beëindigd per 1 december 2021.
Eiser sub 1 c.s. vorderden in kort geding schorsing van de ontruiming op grond van nieuwe feiten die zouden leiden tot nietigheid of vernietigbaarheid van de vaststellingsovereenkomst, waaronder de stelling dat sprake is van huurkoop en toepasselijkheid van de Tijdelijke wet huurkoop onroerende zaken. De voorzieningenrechter oordeelde dat dwaling over toepasselijk recht in beginsel niet verschoonbaar is en dat niet is gebleken van bedrog of misbruik door gedaagde.
De rechtbank stelde vast dat het proces-verbaal met vaststellingsovereenkomst in executoriale vorm is opgemaakt en dat de maatstaf uit vaste jurisprudentie vereist dat aannemelijk moet zijn dat de executoriale titel op een misslag berust of dat nieuwe feiten een noodtoestand veroorzaken. Dit was onvoldoende aangetoond. De belangenafweging wees uit dat het eigendomsrecht van gedaagde zwaarder weegt dan het belang van eiser sub 1 c.s. bij behoud van de woning. Wel werd een langere termijn tot 1 mei 2022 voor ontruiming toegestaan.
De vorderingen van eiser sub 1 c.s. werden afgewezen en zij werden veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Vordering tot schorsing van ontruiming woning afgewezen, uiterste ontruimingsdatum vastgesteld op 1 mei 2022.