Op 9 oktober 2020 bedreigde verdachte een hulpverlener in Utrecht met woorden als 'Als jullie mij nog verder pushen dan maak ik jullie ook dood' en 'Ik maak je kapot'. De rechtbank achtte deze bedreigingen wettig en overtuigend bewezen, ondanks dat het slachtoffer zich niet direct bedreigd voelde. Volgens vaste jurisprudentie is het voldoende dat de bedreiging zodanig was dat een redelijke vrees kon ontstaan.
Tijdens de zitting gaf verdachte aan erg boos te zijn geweest en erkende hij de bedreigingen. Getuigenverklaringen ondersteunden de omstandigheden van het slachtoffer. Verdachte heeft een autismespectrumstoornis en een stoornis in alcoholgebruik, wat volgens deskundigen leidt tot verminderde toerekeningsvatbaarheid.
De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zijn spijt en de wens van het slachtoffer om geen strafrechtelijke afdoening. Gezien het bestaande behandelplan en de positieve ontwikkeling van verdachte legde de rechtbank geen straf of maatregel op. Tevens wees zij de vordering tot tenuitvoerlegging af om de continuïteit van de behandeling te waarborgen.