De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 3 november 2021 de zaak tegen verdachte, die meerdere beledigingen en bedreigingen pleegde tegen ambtenaren en hulpverleners in juli en augustus 2019.
De rechtbank verklaarde een deel van de tenlastelegging niet-ontvankelijk en sprak verdachte vrij van enkele feiten wegens onvoldoende bewijs. De overige feiten werden wettig en overtuigend bewezen, waaronder bedreigingen met de dood en beledigingen met grove taal. Verdachte werd niet volledig ontoerekeningsvatbaar geacht, mede vanwege het ontbreken van deskundigenrapporten en het feit dat hij zich flarden van de incidenten kon herinneren.
Rekening houdend met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder een schizo-affectieve stoornis en harddruggebruik, en de overschrijding van de redelijke termijn, legde de rechtbank een geheel voorwaardelijke taakstraf van 40 uur op met een proeftijd van één jaar.
De rechtbank kende immateriële schadevergoeding toe van €50 aan een benadeelde partij wegens aantasting van eer en goede naam, en wees overige vorderingen af wegens gebrek aan bewijs van geestelijk letsel. De straf is vervangbaar door 20 dagen hechtenis bij niet-nakoming.