Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 februari 2021 in de zaak tussen
1.
het college van burgemeester en wethouder van de gemeente De Bilt, verweerder
[A]en
[B](vergunninghouders), te [plaats] .
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een beroep tegen een omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouder van de gemeente De Bilt voor het bouwen van twee burgerwoningen nabij een geitenhouderij. Eiser stelde dat het besluit in strijd is met het bestemmingsplan en dat het gezondheidsrisico voor vergunninghouders een belemmering vormt voor een goede ruimtelijke ordening.
De rechtbank oordeelt dat het gezondheidsrisico voor vergunninghouders geen rechtstreeks belang van eiser is, waardoor het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a Awb in de weg staat aan dit beroep. Daarnaast is vastgesteld dat eiser niet in zijn bedrijfsvoering wordt belemmerd door de vergunning. De vermeende strijd met de bestemming 'sport' en de Provinciale Ruimtelijke Verordening zijn onvoldoende onderbouwd en falen.
Verweerder heeft de vergunning verleend op basis van een goede ruimtelijke onderbouwing, waarbij rekening is gehouden met het woon- en leefklimaat, behoud van cultuurhistorische waarden en ecologische inpassing. De rechtbank vindt dat verweerder in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard.