Eiser had tot 25 september 2019 recht op bijstand en ontving daarnaast huurinkomsten van € 200 per maand. Verweerder hield over september 2019 een bedrag van € 166,67 aan huurinkomsten in op de bijstand. Eiser stelde dat hij in september geen huurinkomsten meer ontving, maar kon dit niet met bewijs onderbouwen. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de huurinkomsten in mindering bracht.
Daarnaast betwistte eiser de juistheid van de uitkeringsspecificatie met betrekking tot het vakantiegeld van € 117,64, dat volgens hem later was uitbetaald. De rechtbank stelde vast dat het vakantiegeld inderdaad op 18 maart 2020 was betaald, maar dat dit overeenkwam met de specificatie, zodat de uitkeringsspecificatie en het bestreden besluit juist waren.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak werd gedaan door rechter C. Karman op 1 maart 2021, na een zitting waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen.