ECLI:NL:RBMNE:2021:867

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 februari 2021
Publicatiedatum
5 maart 2021
Zaaknummer
AWB - 21 _ 184
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-betaling griffierecht

Verzoekster heeft een verzoek om voorlopige voorziening ingediend tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Almere, waarin haar aanvraag voor bijzondere bijstand werd afgewezen. De voorzieningenrechter beoordeelde of het verzoek ontvankelijk was.

Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet griffierecht worden betaald bij het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening. Verzoekster werd door de griffier aangetekend verzocht het griffierecht binnen twee weken te betalen. Dit is niet gebeurd en verzoekster gaf geen verontschuldiging voor het verzuim.

Daarom verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter G.P. Loman en griffier C. ten Klooster op 26 februari 2021.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/184

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 februari 2021 in de zaak tussen

[verzoekster], te [woonplaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. J. Verheij),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 januari 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om bijzondere bijstand voor de kosten waarvoor zij na een juridische procedure is veroordeeld afgewezen
Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen om op een zitting te verschijnen indien de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.
2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet op grond van artikel 8:82, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) griffierecht betalen. In een zaak als deze is het griffierecht op grond van artikel 8:82, tweede lid, van de Awb in samenhang met artikel 8:41, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb € 49,-. De griffier van de rechtbank stelt op grond van artikel 8:82, derde lid, van de Awb in samenhang met artikel 8:41, vijfde lid, van de Awb een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:82, derde lid, van de Awb in samenhang met artikel 8:41, zesde lid, van de Awb het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
3. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 24 januari 2021 verzoekster in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief.
4. Verzoekster heeft het griffierecht niet op tijd betaald.
5. Verzoekster heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim.
6. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van C. ten Klooster, griffier
.De beslissing is uitgesproken op 26 februari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.