ECLI:NL:RBMNE:2021:947

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
5 maart 2021
Publicatiedatum
9 maart 2021
Zaaknummer
UTR 20/4630
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:82 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek om proceskostenvergoeding na gegrondverklaring bezwaar

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van verweerder van 11 december 2020 en vervolgens een voorlopige voorziening gevraagd. Nadat verweerder het bezwaar op 18 januari 2021 gegrond heeft verklaard, heeft verzoeker het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken en een vergoeding van proceskosten gevraagd.

De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van artikel 8:75 en Pro 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) proceskosten kunnen worden toegekend. Verweerder heeft geen bezwaar tegen betaling van de proceskosten.

De proceskosten worden vastgesteld op €534,-, gebaseerd op één punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde van €534,- en een wegingsfactor van 1. Daarnaast moet verweerder het griffierecht vergoeden conform artikel 8:82 Awb Pro.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder tot betaling van €534,- aan proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van €534,- aan proceskosten en vergoeding van het griffierecht aan verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/4630

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 maart 2021 in de zaak tussen

[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. J.C. Walker),
en

Dagelijks Bestuur Werk en Inkomen Lekstroom, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder heeft op 28 januari 2021 schriftelijk gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. Verweerder heeft op 11 december 2020 een besluit genomen. Verzoeker is hiertegen in bezwaar gegaan en heeft de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening gevraagd. Op 18 januari 2021 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoeker wilde. Verzoeker heeft daarna het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor zijn proceskosten.
2. De voorzieningenrechter kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 en Pro 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
3. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoeker en heeft er geen bezwaar tegen om de proceskosten van verzoeker te betalen.
4. De voorzieningenrechter stelt de proceskosten van verzoeker die verweerder moet betalen vast op € 534,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).
5. Verweerder moet ook het griffierecht aan verzoeker betalen (artikel 8:82 van Pro de Awb).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 534,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoeker.
- bepaalt dat verweerder het griffierecht dat verzoeker heeft betaald moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Sneevliet, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.E. van Gestel, griffier
.De beslissing is uitgesproken op 5 maart 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
(de voorzieningenrechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen)
Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep of in verzet