ECLI:NL:RBMNE:2022:1061
Rechtbank Midden-Nederland
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vaststelling WOZ-waarde woning en aanslag onroerendezaakbelasting
Eiser betwist de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning per 1 januari 2020, welke is vastgesteld op €697.000,-. Eiser stelt dat de waarde te hoog is en pleit voor een lagere waarde van €628.250,-. Verweerder handhaaft de waarde en onderbouwt dit met een taxatiematrix en een taxatierapport.
De rechtbank oordeelt dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De gebruikte referentiewoningen zijn vergelijkbaar en liggen in de directe omgeving, waarbij rekening is gehouden met verschillen. De stijging van de WOZ-waarde ten opzichte van het voorgaande jaar kan geen rol spelen bij de waardebepaling, omdat de Wet WOZ voorschrijft dat de waarde jaarlijks opnieuw wordt bepaald op basis van verkoopprijzen rond de waardepeildatum.
Eisers argumenten over waardedrukkende factoren zoals vandalisme, verkeersdrukte, parkeergelegenheid, persoonlijke omstandigheden zoals AOW en mogelijke toekomstige aanbouw van buren worden door de rechtbank niet gevolgd. Deze factoren zijn ofwel verdisconteerd in de referentieobjecten of spelen geen rol bij de waardering op de peildatum.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting wordt ongegrond verklaard.