ECLI:NL:RBMNE:2022:1133
Rechtbank Midden-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen sluiting bedrijfspand wegens drugshandel
Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het besluit van de burgemeester van Almere om een bedrijfspand voor drie maanden te sluiten wegens het aantreffen van stoffen die gebruikt kunnen worden bij de productie van harddrugs. Verzoeker, eigenaar van het pand, maakte bezwaar tegen deze sluiting en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet en het Damoclesbeleid. De aangetroffen hoeveelheden cafeïne en fenacetine, samen met maatbekertjes en gripzakjes, wijzen op drugshandel en voorbereidingshandelingen. Ondanks het ontbreken van een zichtbare 'loop' naar het pand, acht de rechter de sluiting noodzakelijk ter bescherming van de openbare orde.
Verzoeker stelde dat hij geen verwijt treft omdat hij de huurovereenkomst met de verdachte huurder had beëindigd en dat de maatregel onevenredig is gezien zijn financiële belangen. De voorzieningenrechter stelt dat verzoeker tekort is geschoten in zijn zorgplicht bij de controle van de huurder en dat de financiële gevolgen inherent zijn aan de sluiting. De duur van drie maanden is bovendien minder dan het standaard zes maanden beleid, wat de proportionaliteit onderstreept.
Gezien het ontbreken van bijzondere omstandigheden die de sluiting onevenredig maken en het ontbreken van een redelijke kans van slagen van het bezwaar, wijst de voorzieningenrechter het verzoek tot voorlopige voorziening af. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen de sluiting van het bedrijfspand wordt afgewezen.