ECLI:NL:RBMNE:2022:1167
Rechtbank Midden-Nederland
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vaststelling WOZ-waarde woning in Midden-Nederland
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vaststelling van de WOZ-waarde van een tussenwoning uit 1938 in Midden-Nederland centraal. Verweerder had de waarde van de woning voor het belastingjaar 2020 vastgesteld op €340.000,-. Eiser betwistte deze waarde en stelde beroep in nadat het bezwaar ongegrond was verklaard.
De rechtbank heeft de zaak op 21 maart 2022 behandeld en beoordeelde de onderbouwing van de waarde door verweerder aan de hand van een taxatiematrix waarin de woning werd vergeleken met vier referentiewoningen in dezelfde plaats. De rechtbank achtte de gebruikte vergelijkingsmethode en de toelichting daarop voldoende aannemelijk en vond dat verweerder voldoende rekening had gehouden met verschillen tussen de woningen.
Eiser voerde aan dat de waarde te hoog was vastgesteld omdat de woning gedateerd is en de referentiewoningen waren opgeknapt. De rechtbank oordeelde dat verweerder dit verschil adequaat had meegenomen in de waardebepaling. Daarnaast wees de rechtbank het verzoek van eiser om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat de uitspraak binnen de wettelijke termijn van twee jaar na het bezwaarschrift was gedaan.
De uitspraak werd mondeling gedaan en in het openbaar uitgesproken door rechter R.C. Stijnen. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.