ECLI:NL:RBMNE:2022:1215
Rechtbank Midden-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag Verklaring Omtrent het Gedrag voor pedagogisch medewerker wegens strafrechtelijke antecedenten
Verzoeker heeft een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) aangevraagd voor de functie van pedagogisch medewerker, noodzakelijk voor zijn werk via een bemiddelaar bij een zorginstelling. De minister voor Rechtsbescherming heeft de aanvraag afgewezen vanwege meerdere strafrechtelijke veroordelingen en lopende strafzaken, waaronder diefstal, opiumdelicten en belediging van een ambtenaar.
Verzoeker betwist de afwijzing en stelt dat hij een tweede kans verdient, dat hij sinds het begin van zijn werkzaamheden geen strafbare feiten meer heeft gepleegd en dat hij een goede toekomst wil opbouwen. De voorzieningenrechter oordeelt dat aan het objectieve criterium is voldaan, omdat de aard en herhaling van de strafbare feiten een risico vormen voor de uitoefening van de functie, ook gezien de toegang tot persoonlijke eigendommen en de voorbeeldfunctie van de medewerker.
Ten aanzien van het subjectieve criterium weegt de voorzieningenrechter het maatschappelijke belang van bescherming zwaarder dan het belang van verzoeker, mede vanwege het korte tijdsverloop sinds de laatste justitiële confrontatie en de ernst van de antecedenten. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Verzoeker krijgt geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de VOG wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.