De zaak betreft een geschil tussen ouders over de schoolinschrijving van een minderjarige die onder toezicht is gesteld. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit, maar verschillen van mening over de basisschool waar de minderjarige moet worden ingeschreven. De gecertificeerde instelling (GI) verzoekt de kinderrechter om een beslissing te nemen die de inschrijving op een basisschool in de buurt van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige mogelijk maakt.
De vader verzet zich tegen de schoolwisseling vanwege langere reistijd, verminderde betrokkenheid bij schoolactiviteiten, en het belang van het christelijke geloof. De moeder steunt het verzoek en wijst op de voordelen van zelfstandigheid en sociale ontwikkeling bij een school in haar wijk, mede vanwege pestgedrag op de huidige school.
De kinderrechter stelt vast dat de GI bevoegdheden heeft om in het kader van de ondertoezichtstelling in te grijpen en dat analoge toepassing van artikel 1:265e BW gerechtvaardigd is, ook zonder uithuisplaatsing. De GI wordt belast met het gezag over de schoolinschrijving tot het einde van het schooljaar 2021/2022. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard om de continuïteit in het belang van de minderjarige te waarborgen.