De besloten vennootschap [verzoekster] B.V. heeft een verzoek ingediend tot afkondiging van een afkoelingsperiode in het kader van de Wet Homologatie Onderhands Akkoord (WHOA) om een akkoord met schuldeisers voor te bereiden. [verzoekster] exploiteert een opslagbedrijf en heeft een aanzienlijke schuldenlast van ruim € 900.000, waaronder een schuld aan de Belastingdienst.
De rechtbank heeft het verzoek behandeld en daarbij ook de zienswijze van een crediteur die faillissement had aangevraagd betrokken. [verzoekster] stelde dat haar onderneming gezond is en groeipotentie heeft, en onderzocht drie opties voor een akkoord: voortzetting met extra financiering, en twee opties voor gecontroleerde afwikkeling.
De rechtbank oordeelde dat [verzoekster] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar lopende verplichtingen kan voldoen en dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers bij een afkoelingsperiode worden gediend. De prognoses zijn niet overtuigend en het risico bestaat dat schuldeisers slechter af zijn bij voortzetting. Ook is onvoldoende aangetoond dat een gecontroleerde afwikkeling buiten faillissement meerwaarde biedt ten opzichte van faillissement.
Daarom is het verzoek tot afkondiging van de afkoelingsperiode afgewezen. De rechtbank benadrukte dat de onderneming sinds 2016 geen operationeel positief resultaat heeft behaald en dat de schuldenlast is toegenomen. De beslissing is genomen door drie rechters en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2022.