ECLI:NL:RBMNE:2022:1361
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling WOZ-waarde verenigingsgebouw na betwisting restwaarde
De heffingsambtenaar van de gemeente stelde de WOZ-waarde van een verenigingsgebouw vast op €1.300.000 voor het belastingjaar 2020. De stichting als eigenaar en gebruiker betwistte deze waarde en stelde een lagere waarde van €485.000 voor, terwijl de heffingsambtenaar bijgesteld een waarde van €752.468 aanhield.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar de gebruikte kengetallen uit de Taxatiewijzer met betrekking tot de restwaarde niet met verifieerbare gegevens aannemelijk had gemaakt. De door de stichting betwiste referentieobjecten konden niet als bewijs dienen. De stichting maakte niet aannemelijk dat de restwaarde nihil was, aangezien het gebouw nog in gebruik is en binnen de bestemming Maatschappelijk andere functies mogelijk zijn.
Gezien het ontbreken van overtuigend bewijs van beide partijen stelde de rechtbank de waarde schattenderwijs vast op €650.000. Tevens werd de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslagen onroerendezaakbelastingen dienovereenkomstig verminderd, en de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €1.898,30 en het griffierecht van €360.
Uitkomst: De WOZ-waarde van het verenigingsgebouw wordt vastgesteld op €650.000 en de aanslagen worden dienovereenkomstig verminderd.