ECLI:NL:RBMNE:2022:1380
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde appartement in Utrecht
De zaak betreft een beroep van de eigenaar van een appartement in Utrecht tegen de door de gemeente vastgestelde WOZ-waarde van €1.435.000,- voor het belastingjaar 2020, gebaseerd op de waardepeildatum 1 januari 2019. De eigenaar betoogde dat de waarde te hoog was vastgesteld en stelde een lagere waarde voor, maximaal 10% boven de waarde van het voorgaande jaar.
De rechtbank overwoog dat de WOZ-waarde de marktwaarde weerspiegelt en dat de gemeente de bewijslast draagt om aan te tonen dat de vastgestelde waarde niet te hoog is. De gemeente ondersteunde haar standpunt met een taxatiematrix waarin de woning werd vergeleken met vergelijkbare appartementen, waarbij onder meer factoren zoals inhoud en ligging werden meegewogen.
De rechtbank verwierp de bezwaren van eiser, waaronder het ontbreken van een verslag van de hoorzitting, onvoldoende rekening met VVE-reserves, en de hoogte van de kubieke meterprijs. Ook het argument dat de waardestijging te fors was ten opzichte van voorgaande jaren werd afgewezen omdat de WOZ-waarde jaarlijks opnieuw wordt vastgesteld op basis van actuele marktgegevens.
De rechtbank concludeerde dat de gemeente aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde juist is vastgesteld en wees het beroep ongegrond. Een verzoek om vergoeding van immateriële schade werd eveneens afgewezen omdat de redelijke termijn niet was overschreden.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €1.435.000,- wordt ongegrond verklaard.