Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 maart 2022 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
[derde belanghebbende](werkgever),
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser werkte als ventilatiemonteur en meldde zich ziek wegens gezondheidsklachten. Hij kreeg een WIA-uitkering toegekend vanaf 9 april 2020 op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 59,80%. De werkgever maakte bezwaar, waarna een medisch en arbeidskundig onderzoek door verzekeringsartsen wees op minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Op grond daarvan beëindigde het UWV de uitkering per 8 april 2022.
Eiser voerde aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat de beoordeling onjuist was omdat onvoldoende rekening werd gehouden met zijn klachten. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, ook zonder lichamelijk onderzoek, en dat de verzekeringsarts voldoende had gemotiveerd waarom een fysiek onderzoek niet nodig was. De medische beoordeling werd als consistent en inzichtelijk beoordeeld.
De arbeidsdeskundige bevestigde dat eiser geschikt was voor bepaalde functies binnen zijn belastbaarheid. De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit op goede gronden berust en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de beëindiging van zijn WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard.