ECLI:NL:CRVB:2021:1734
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging recht op ziekengeld en weigering WIA-uitkering bevestigd door Centrale Raad van Beroep
Appellante, laatst werkzaam als schoonmaakster, meldde zich in 2016 ziek wegens fysieke en psychische klachten. Het UWV kende haar ziekengeld toe, maar beëindigde dit per 6 oktober 2018 en 2 januari 2019 na medische beoordelingen waarin zij geschikt werd geacht voor eerder geduide functies. De wachttijd van 104 weken voor een WIA-uitkering was volgens het UWV niet voltooid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze besluiten ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen nieuwe medische informatie was die een andere beoordeling rechtvaardigde. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij door haar klachten niet in staat was tot arbeid en dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld, maar deze gronden werden door de Raad verworpen.
De Raad benadrukte dat het subjectieve oordeel van appellante onvoldoende is zonder bevestiging door medische bevindingen. De medische rapporten van verzekeringsartsen en artsen bezwaar en beroep werden als juist en zorgvuldig beoordeeld. Het verzoek om inschakeling van een onafhankelijke deskundige werd afgewezen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de bestreden uitspraak en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Hiermee is het recht op ziekengeld terecht beëindigd en is de weigering van een WIA-uitkering gegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het UWV heeft terecht het recht op ziekengeld beëindigd en de WIA-uitkering geweigerd.