Eiser ontving vanaf februari 2016 een Ziektewetuitkering. Naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek waarbij eiser als verdachte werd genoemd, onderzocht verweerder of eiser recht had op de uitkering. Verweerder baseerde zich op informatie uit het strafvonnis en andere bronnen en concludeerde dat eiser werkzaamheden verrichtte bij een garagebedrijf, wat niet was doorgegeven. Hierdoor werd de uitkering herzien en teruggevorderd over de periode oktober 2016 tot maart 2017.
Eiser betwistte dat hij werkzaamheden verrichtte en stelde dat hij slechts incidenteel en op therapeutische basis aanwezig was. De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van structurele op geld waardeerbare werkzaamheden. Verweerder had onvoldoende onderzoek gedaan naar de aard en omvang van de werkzaamheden, en had belangrijke informatie uit het strafrechtelijk onderzoek niet ingewonnen.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat verweerder binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiser.