Appellant ontving bijstand sinds 2012 en werd in 2015 verdacht van betrokkenheid bij een drugslaboratorium. Na onderzoek door een opsporingsambtenaar en politie werd vastgesteld dat appellant op 25 februari 2015 in een drugslaboratorium aanwezig was en betrokken was bij voorbereidingen van de productie van synthetische drugs. Het college trok daarop de bijstand in over de periode van 1 tot en met 24 februari 2015 en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat het bestuursrechtelijk bewijs onvoldoende was en dat het strafrechtelijke vonnis niet bindend was. De Raad oordeelde echter dat het strafvonnis wel degelijk relevant is, ook al geldt een andere rechtsvraag en bewijsrecht in bestuursrechtelijke procedures.
De Raad concludeerde dat appellant betrokken was bij de aankoop van materialen voor het drugslaboratorium en dat hij zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door dit niet te melden. Omdat het recht op bijstand per maand wordt vastgesteld en niet per dag, kon het recht over de gehele maand februari niet worden vastgesteld. Het hoger beroep werd afgewezen en de intrekking van de bijstand bekrachtigd.