Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
hierna: verdachte.
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 5 januari 2022 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van aanranding van aangeefster op 8 december 2005 te Ede. De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van vier maanden, stellende dat de aanranding wettig en overtuigend bewezen was, mede gebaseerd op de verklaring van aangeefster en emoties die zij vertoonde bij aangifte.
Verdachte ontkende de aanranding en stelde dat de handelingen vrijwillig waren, onderbouwd met het feit dat aangeefster hem haar telefoonnummer gaf. De rechtbank oordeelde dat voor een bewezenverklaring van aanranding dwang vereist is, waarbij dwang betekent dat het slachtoffer handelingen tegen zijn of haar wil ondergaat door opzettelijk gedrag van de verdachte.
Omdat alleen de verklaringen van aangeefster en verdachte beschikbaar waren en deze lijnrecht tegenover elkaar stonden, en er geen aanvullend steunbewijs was, kon de rechtbank niet vaststellen dat sprake was van dwang. De emotionele toestand van aangeefster bij aangifte werd als onvoldoende steunbewijs beoordeeld.
De rechtbank sprak verdachte daarom integraal vrij, benadrukkend dat dit geen twijfel aan de beleving van aangeefster inhoudt, maar dat het bewijs niet voldeed aan het wettelijk bewijsminimum. De tenlastelegging werd niet bewezen verklaard en verdachte werd vrijgesproken.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs van dwang bij aanranding.