ECLI:NL:RBMNE:2022:1762
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking Tozo-uitkering wegens niet voldoen urencriterium en ontbreken financieel geraakt zijn
Eiser, eigenaar van een eenmanszaak sinds november 2018, ontving meerdere Tozo-uitkeringen vanwege de COVID-19 crisis. Hij stelde dat hij door het vliegverbod in Kenia vastzat en daardoor zijn bedrijf niet kon voortzetten en zijn huurwoning verloor. Verweerder trok de Tozo-uitkering per 1 april 2020 in wegens onvoldoende uren besteed aan het bedrijf en het ontbreken van financiële schade door de coronacrisis.
Eiser voerde aan dat zijn aanvraag op grond van de Bbz-regeling had moeten worden beoordeeld en dat hij wel aan het urencriterium voldeed. De rechtbank oordeelde dat de aanvraag ten onrechte als Tozo-aanvraag was aangemerkt, maar dat dit niet tot gegrondheid van het beroep leidde. De rechtbank stelde vast dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd dat hij minimaal 1225 uur per jaar aan zijn onderneming besteedde en dat zijn bedrijf financieel was geraakt.
De rechtbank baseerde zich onder meer op de aangifte inkomstenbelasting 2019, waaruit bleek dat eiser een geringe winst behaalde en zelf aangaf niet aan het urencriterium te voldoen. Het door eiser overgelegde overzicht van werkzaamheden was onvoldoende onderbouwd met objectieve gegevens. De intrekking van de Tozo-uitkering en terugvordering van € 15.963,78 werd daarom bevestigd. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de Tozo-uitkering wordt ongegrond verklaard en de intrekking bevestigd.