ECLI:NL:RBMNE:2022:1841

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
5 april 2022
Publicatiedatum
12 mei 2022
Zaaknummer
21/3750
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47, eerste lid AwrArt. 52a, eerste lid AwrWet waardering onroerende zakenAlgemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen informatiebeschikking WOZ inzake woningwaarde afgewezen

Eiser maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning en werd door verweerder verzocht aanvullende informatie te verstrekken middels een Inlichtingen Formulier Secondaire Kenmerken. Bij uitblijven van deze informatie nam verweerder een informatiebeschikking op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Eiser stelde dat hij met het overgelegde taxatierapport aan het informatieverzoek had voldaan en voerde schending van het gelijkheidsbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel en onderzoeksbeginsel aan. De rechtbank oordeelde dat het taxatierapport niet voldeed aan het informatieverzoek omdat het niet refereerde aan de gevraagde gegevens en niet alle vragen beantwoordde.

De rechtbank sloot zich aan bij eerdere uitspraken van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en de Hoge Raad die de informatiebeschikking rechtmatig achtten. De rechtbank gaf eiser een termijn van zes weken om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken en verklaarde het beroep ongegrond. Proceskosten werden niet toegewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de informatiebeschikking wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt zes weken om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/3750

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 april 2022 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: A. Oosters)
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Huizen, verweerder

(gemachtigde: I.K. Beek).

Procesverloop

Op 23 februari 2021 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de door verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) bij beschikking vastgestelde waarde van de woning aan de [adres] in [woonplaats] (de woning) voor het belastingjaar 2021.
In het kader van de afhandeling van het bezwaar heeft verweerder bij brief van 26 februari 2021 op grond van artikel 47, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) eiser verzocht inlichtingen te verstrekken over de toestand van de woning middels het invullen van een Inlichtingen Formulier Secondaire Kenmerken (IFSO). In deze brief heeft verweerder erop gewezen dat, indien het formulier niet binnen de gestelde tijd wordt geretourneerd, er een informatiebeschikking wordt genomen. Daarbij is vermeld dat dit inhoudt dat er een omgekeerde en verzwaarde bewijslast van kracht is inzake de gevraagde gegevens.
Vanwege het uitblijven van de gevraagde inlichtingen heeft verweerder op 8 april 2021 een informatiebeschikking genomen op grond van artikel 52a, eerste lid, van de Awr.
In de uitspraak op bezwaar van 12 augustus 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de informatiebeschikking ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen deze uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld op de zitting van 8 maart 2022 door middel van een Teams-beeldverbinding. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde A. Oosters. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde I.K. Beek.

Overwegingen

1. Eiser heeft kort samengevat het volgende aangevoerd. Met het (herziene) taxatierapport van 24 maart 2021, ontvangen op 26 maart 2021 en respectievelijk van 9 april 2021, ontvangen op 12 april 2021, is voldaan aan het informatieverzoek van verweerder. Ten onrechte is er op de hoorzitting geen verduidelijking gevraagd op de verstrekte informatie in het taxatierapport. Er is sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het onderzoeksbeginsel. Eiser acht het laakbaar dat het door hem overgelegde taxatierapport in het geheel niet wordt bekeken. Van enige proportionaliteit is geen sprake, omdat het detailniveau van de vragen geen recht doet aan de gevolgen van de beschikking.
2. De rechtbank oordeelt dat de beroepsgronden van eiser niet slagen. In de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 december 2020 [1] zijn de door eiser naar voren gebrachte gronden besproken en is geoordeeld dat de informatiebeschikking terecht is gegeven. De rechtbank kan zich met deze uitspraak van het Gerechtshof verenigen en neemt de overwegingen uit die uitspraak over. Op 24 september 2021 [2] heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie ongegrond verklaard. Door eiser zijn geen andere punten aangevoerd die tot een ander oordeel leiden. De rechtbank vindt verder van belang dat verweerder in eerste instantie bij brief van 26 februari 2020 via de informele weg om informatie heeft verzocht en pas een informatiebeschikking heeft genomen, nadat door eiser niet op dit verzoek is gereageerd. Verder vindt de rechtbank dat verweerder niet behoefde te onderkennen dat het door eiser toegezonden (herziene) taxatierapport (gedeeltelijk) een antwoord was op de gegeven informatiebeschikking. Immers op geen enkele manier wordt in het taxatierapport of het begeleidend schrijven gerefereerd aan het verzoek om informatie over de toestand van de woning. Uit de geluidsopname van de hoorzitting leidt de rechtbank af dat eiser zegt dat in het taxatierapport de verzochte informatie staat. Van de zijde van verweerder is daarop alsnog inhoudelijk gekeken naar het taxatierapport en is geantwoord dat in het taxatierapport niet alle vragen zijn beantwoord. Ter zitting heeft verweerder nog opgemerkt dat het tweede herziene taxatierapport bij onderdeel “H” weer meer informatie bevat dan het eerste taxatierapport, maar dat nog steeds niet op alle vragen is geantwoord. De rechtbank stelt vast dat die conclusie juist is. De beroepsgronden slagen niet.
3. De rechtbank zal eiser nog een termijn van zes weken geven om alsnog aan zijn informatieverplichting te voldoen.
4. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat eiser binnen een termijn van zes weken, gerekend vanaf de dagtekening van deze uitspraak, de in de informatiebeschikking gestelde vragen dient te beantwoorden en de daarin verzochte informatie dient te verstrekken.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van I. Zallali, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 april 2022.
griffier
rechter
De rechter is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Deze uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat.