Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 5, die op 10 september 2021 aan [gedaagde] is betekend:
- de conclusie van antwoord met productie 1;
- de akte wijziging eis met producties 6 en 7.
Rechtbank Midden-Nederland
De huurovereenkomst tussen eiser en gedaagde voor een bedrijfsruimte is geëindigd op 7 oktober 2021. Gedaagde is in gebreke gebleven met het betalen van huurpenningen vanaf juni 2021 en heeft het gehuurde eind september/begin oktober 2021 ontruimd.
Eiser vordert betaling van achterstallige huur, contractuele boetes wegens te late betaling en het niet stellen van zekerheid, schadevergoeding voor beschadiging van het gehuurde, wettelijke rente, incassokosten en proceskosten. Gedaagde betwist de vorderingen en beroept zich onder meer op vernietiging van de algemene bepalingen en matiging van boetes vanwege coronaperikelen.
De rechtbank oordeelt dat de huurovereenkomst op 7 oktober 2021 is geëindigd en wijst de huurachterstand van €4.338,44 toe. De boete wegens te late betaling van €1.500,00 wordt toegewezen zonder matiging, terwijl de boete wegens het niet stellen van zekerheid van €17.750,00 buitensporig is en wordt gematigd tot nihil. De schade aan het gehuurde is onvoldoende onderbouwd en wordt afgewezen. Vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt eveneens afgewezen. Proceskosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van huurachterstand en boete wegens te late betaling, met matiging van boete voor niet gestelde zekerheid en compensatie van proceskosten.